|
prov:generated |
"2025-01-30T12:06:16+00:00"^^xsd:dateTime |
|
https:/ |
"No access restriction"@en
|
|
https:/ |
"Volledig openbaar" |
|
https:/ |
<https:/ |
|
https:/ |
<https:/ |
|
https:/ |
<https:/ |
|
<https:/ |
|
|
https:/ |
<https:/ |
|
https:/ |
<https:/ |
|
https:/ |
"Het archief van Theodor von Frimmel [1], door Jan Kosten In de jaren 1931-1932 verbleef de directeur van het RKD, dr. Hans Schneider, een paar keer te Wenen met het doel de bibliotheek met Duitstalige veilingcatalogi van de voormalige kunsthandel-veilinghuis Wawra-Artaria op te kopen voor de bibliotheek van het pas opgerichte Rijksbureau. In de loop van zijn verblijf in Wenen is Schneider in contact gekomen met een Nederlands-Oostenrijks echtpaar, ir. Batavus en dr. Hertha van Nes. Zijn nieuwe kennissen, door de economische recessie in Oostenrijk gedwongen hun dure huis in Wenen om te ruilen voor een goedkoper huisje op het platteland, namen direct na Schneiders terugkeer in Nederland weer contact met hem op en boden hem aan hun totale kunsthistorische bibliotheek en beelddocumentatie te verkopen aan het RKD. Het merendeel van hun bezit bleek recent gekocht te zijn uit de collectie van de in 1928 te Wenen overleden Oostenrijkse kunsthistoricus, Van Beethovenkenner en medicus, Dr. Theodor von Frimmel. Schneiders enthousiasme was grenzeloos en de onderhandelingen verliepen dan ook probleemloos. Het was slechts de kwestie van het benodigde geld (ƒ 1500,- ), dat het Ministerie moest betalen die maakte, dat de lading boeken, veilingcatalogi en foto's pas in 1936 in 36 grote houten kisten op het RKD werd bezorgd.[2] Hoewel dit aangekochte materiaal, vooral door het grote aantal unieke veilingcatalogi alsmede preciosa boeken, nog steeds van grote waarde is, gaat het in het kader van deze inleiding slechts om drie kisten met papieren, die bij de zending als schenking meekwamen: in een van zijn laatste brieven aan Schneider eind 1935 had Van Nes gevraagd of Schneider misschien ook nog belangstelling had voor de 'Zettelnotizen' ofwel de aantekeningen van wijlen dr. Frimmel, die, wanneer hij ze niet wilde aannemen met de vuilnisman meegegeven zouden worden. Schneider nam dit aanbod blindelings aan zonder de papieren ooit gezien te hebben en zo kwam het archief von Frimmel januari 1936 naar het RKD. Schneider meldde dit de wereld als volgt: '... een (…) schenking, die wij nog speciaal moeten vermelden, [bestrijkt] de kunst van alle landen. De Heer en Mevrouw Ir. B. van Nes verblijdden het Rijksbureau met de geheele schriftelijke nalatenschap van wijlen Dr. Theodor von Frimmel. Ruim 430 portefeuilles in groot octavo bevatten de aanteekeningen op kunstgebied van deze onvermoeibaren Weenschen kunstgeleerde en medicus, die tevens musicoloog en Beethovenvorscher van naam was. Zijn geschriften over de kennis en de geschiedenis van schilderijen van oude en nieuwere meesters worden vaak genoemd en geraadpleegd. De ordening van de thans in het Rijksbureau opgenomen hoeveelheid zijner aanteekeningen zal geruimen tijd vereischen.'[3]. De laatste zin van dit citaat zou welhaast profetisch genoemd mogen worden, want hoewel de schenkers uitdrukkelijk gestipuleerd hadden dat het materiaal niet in een donker hoekje mocht verstoffen [4], was dat precies wat het RKD de eerste zestig jaar voor het archief in petto had. Debet aan de nu intredende Doornroosjeslaap was waarschijnlijk het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de terugkeer van Schneider in mei 1940 naar Bazel. De zorgen van de oorlogsjaren stelden aan de medewerkers van het RKD andere prioriteiten en langzaamaan begonnen de kisten papieren aan een zwerftocht en verdwenen ze tijdens de respectieve verhuizingen van het RKD steeds verder in allerlei onbegaanbare hoeken van zolders en zelfs een halfopen fietsenstalling. Het zou tot het begin van de jaren ’90 duren met het aantreden van Marcia Zaaijer, de eerste professionele archivaris op het RKD, dat iemand de papieren opmerkte. In een oud archiefoverzicht stond het archief vermeld als 'het niet-kunsthistorische deel van het archief Hofstede de Groot'. Waar deze notie op berustte is tot op de dag van vandaag onbekend. Een eerste verkenning, vooral van de overvloedig aanwezige correspondentie, bracht al gauw de werkelijke naam van de archiefvormer aan het licht, waarna een gang door Jaarverslagen en correspondentie de hierboven geschetste historie opleverde. Vanaf 1993 werd het ontsluiten van het archief ter hand genomen in verloren uren en enige vrije tijd van de auteur van dit artikel. Allereerst dienden de papieren fysiek gereinigd te worden: reeds in 1936 was de vuile, beroete toestand Schneider niet meegevallen en de navolgende jaren in onverwarmde en soms open ruimten hadden hun sporen nagelaten. Dit schoonmaken en vervolgens ompakken van het materiaal in zuurvrij papier nam enige jaren in beslag, waarna pas beslist kon worden wat er met de papieren zou moeten gebeuren. Al in een vroeg stadium werd besloten om de oude, door de archiefvormer aangebrachte ordening, die verbazend genoeg nog vrij eenvoudig te herkennen was, te handhaven. Het resultaat van deze inventarisatie is nu gereed. Een zeer uitvoerig archiefoverzicht ligt vanaf oktober 2008 voor de gebruiker gereed, vermeerderd met een nadere toegang op het materiaal, te weten de duizenden aanwezige brieven, alfabetisch geordend op naam van de afzender.[5] Theodor Frimmel (de familie werd pas in 1890 geadeld, waarna het begeerde 'von' voor de naam gezet mocht worden) werd als middelste van drie kinderen geboren op 15 december 1853 in Amstetten in Neder-Oostenrijk, waar de vader Landesgerichtsrat was.[6] Vrij kort na Frimmels geboorte verhuisde het gezin eerst naar St. Pölten en vervolgens naar Linz, al naar gelang de carrière van de vader. De jonge Theodor legde een verbazende muzikaliteit aan het licht en reeds op jonge leeftijd werd besloten tot een loopbaan als concertpianist. Een ongeluk tijdens een kinderspel met zijn jongere zuster Mitzi verwondde zijn rechter wijsvinger echter zodanig, dat deze in ontwikkeling en groei achterbleef, waarna een professionele muzikale carrière van de baan was. Na de lagere- en middelbare school ging de jonge Theodor medicijnen studeren in Wenen, maar uit niets blijkt, dat hij hiertoe enige roeping had. Weliswaar sloot hij zijn studies in 1879 af met een dissertatie (vandaar zijn doctorstitel: die is niet kunsthistorisch!), maar in de tussentijd had hij zich reeds geruime tijd gewijd aan muziek- en kunsthistorische studies (vooral via kunstreizen naar Parijs, Holland, België en Duitsland) en zagen zijn eerste publicaties (o.a. over interpretatie in de klaviercomposities van J.S. Bach en over het leven van Beethoven in Wenen) het licht. Hij zette al zijn zinnen op een wetenschappelijke loopbaan aan de Universiteit, doch deze werd hem onmogelijk gemaakt door de twee kunsthistorische professoren aldaar, Bendorf en Hartl, die volgens Frimmel zelf ‘die (…) zwei Esel [sind], die mir die akademische Laufbahn unmöglich gemacht haben durch ihr frenetisches Auftreten gegen meine naturwiss.Vorbildung 1883/4’. In het Wenen van voor de Eerste Wereldoorlog was het daarbij onmogelijk om zonder hoge adellijke protectie in het hogere échelon door te dringen en Frimmel kende geen aartshertogen. Het beste wat hij kon krijgen was een baantje aan het Hofmuseum in 1883, doch deze baan leidde niet tot een vaste aanstelling. Wel kreeg hij rond deze tijd de positie van 'Kustos' en later die van 'Galeriedirektor' van de Schönborn'sche und Wiesentheidsche Kunstsammlung, de privé-verzameling van de familie Schönborn in Wenen en Pommersfelden. Hoewel hem dit de titel 'Galeriedirektor' opleverde, bracht het niet genoeg geld op om het grote gezin, dat hij na zijn huwelijk met Fanny Fleischhacker in 1880 was begonnen (zij kregen tussen 1881 en 1893 zes zoons en een dochter) te onderhouden. Aanvullend salaris betrok Frimmel vanaf deze tijd uit zijn werk als vrij gevestigd kunsthistoricus door het schrijven van krantenartikelen over kunst en muziekrecensies in hoofdzakelijk de Neue freie Presse, het schrijven van catalogi voor privéverzamelaars en musea, als ook door het maken van expertiserapporten betreffende schilderijen voor derden, de zgn. Gutachten, het geven van lezingen en cursussen en het schrijven van lemmata voor het vanaf 1907 te Leipzig verschijnende Allgemeines Lexikon der bildenden Künstler van U. Thieme en F. Becker, om slechts een klein deel van zijn dagelijkse bezigheden te noemen. Ondertussen begon hij ook met het uitgeven van eigen tijdschriften, zowel over kunst als over Van Beethoven[7], die hij nagenoeg alleen volschreef. Hiernaast publiceerde hij ook regelmatig boeken over tal van onderwerpen, met als zijn (kunsthistorische) Magmum Opus het Lexikon der Wiener Gemäldesammlungen, München 1913-1914 (2dln.), waarin een beschrijving gegeven wordt van zowat alle grote en kleine Weense privéverzamelingen, alfabetisch gerangschikt tot en met de letter M: de geplande delen K-Z zouden nooit verschijnen. Al deze bezigheden werden in negen maanden van het jaar samengeperst, aangezien hij door een zwakke gezondheid geplaagd (hij leed aan astma en zware allergieën) nagenoeg de gehele zomer hoog in de bergen door moest brengen. Ondanks al deze werkzaamheden was hij een in het openbare kunst- en muziekleven van Wenen bekende en gevreesde persoonlijkheid, die met groot gezag over concerten en tentoonstellingen schreef. Toen in 1904 bij Galerie H.O. Miethke voor het eerst een grote overzichtstentoonstelling werd gehouden over de enigszins in de vergetelheid geraakte romantische schilder Ferdinand Georg Walmüller (1793-1865) verhief zich in het luide koor der bewonderende critici slechts de tegenstem van von Frimmel, die de tentoonstelling als geheel zwaar bekritiseerde en een drietal van de geëxposeerde werken rondweg als vals aanmerkte. Dit was genoeg reden voor de organisatoren om de gewraakte werken onmiddellijk van de tentoonstelling te verwijderen. Ondanks of misschien wel dankzij al deze erkenning bleef Frimmel zijn hele leven ageren tegen zijn officiële, goedgekeurde collegae kunsthistorici in Oostenrijk met een vehement polemiserende en niet altijd even fijne toon. Betere contacten onderhield hij met buitenlandse collega's en wel vooral met zijn Hollandse en Belgische, waaronder Abraham Bredius, Cornelis Hofstede de Groot, Willem Martin, Max Rooses en L. Hymans. De Duitse kunsthistorische wereld van onder meer Wilhelm von Bode, Hugo von Tschudi en later Max Friedländer trad hij veel omzichtiger tegemoet en lijkt hij zoveel als doenlijk was te hebben vermeden. Mogelijk is dit gebrek aan contact ook te verklaren, doordat Frimmel zich vooral bezig hield met de 17de-eeuwse Nederlandse en Vlaamse kunst, naast de Romantische kunst uit de tijd van Van Beethoven en Schubert alsmede de kunst van zijn eigen tijd. Uit de aanwezige correspondentie valt vooral Frimmels warme belangstelling voor beginnende kunstenaars af te lezen. Het archief maakt het ook mogelijk om zijn werkwijze reconstrueren: hij moet altijd zijn zakken vol gehad hebben met kleine langwerpige opschrijfboekjes, waarin hij in zijn krachtige Latijnse handschrift (Duits werd in die tijd nog doorgaans geschreven in het lopende Gotische schrift, wat niet altijd even goed leesbaar is: wie het archief wil raadplegen moet zich hier van te voren goed van bewust zijn). Thuis gekomen werden deze eenzijdig beschreven boekjes met de schaar verknipt, waarna de kleine strookjes papier op de bestemde plek in het archief werden opgeborgen in witte enveloppen.[8] De krant las Frimmel met de schaar in de hand: elk relevant artikel werd met rood potlood aangekruist en later uitgeknipt om opgeborgen te worden. Zo is het archief gevuld met vele tienduizenden krantenknipsels, variërend van eenregelige overlijdensberichten betreffende kunstenaars tot hele kunstbijlages over grote kunstvraagstukken van zijn tijd, voorzien van Frimmels (vaak bijtende) kritiek. Vooral in de oorlog groeide het archief met duizenden namen van gesneuvelde kunstenaars, waarvan sommigen in geen enkel naslagwerk te vinden zijn. Frimmel correspondeerde ook met vele kunstenaars of hun nakomelingen, zodat veel van de brieven uniek biografisch materiaal bevatten. Soms publiceerde Frimmel deze nieuwe gegevens in het door hem uitgegeven tijdschrift, maar soms betreft het nog onbekend materiaal. Welstand moet al dit werk hem wel gebracht hebben: zijn gezin woonde in de Baumannstrasse 9, in het gegoede IIIe district, terwijl zijn werkadres aan de Paniglgasse 1, Wien I, direct naast de Karlskirche en recht tegenover Künstlerhaus en de Sezession gevestigd was. Brieven aan 'Th. von Frimmel, Wien' blijken ook probleemloos te zijn bezorgd. Na de oorlog viel het Frimmel steeds zwaarder om zijn normale werk voort te zetten. Na een aanvankelijk optimistische stemming na de wapenstilstand in november 1918 sloeg de depressie vrij snel en hard toe na het sluiten van de vrede te Versailles met zijn voor de verliezers van de oorlog zo rampzalige voorwaarden. De slechte economische gevolgen lieten niet lang op zich wachten in de nieuwe republiek Oostenrijk. Ook voor Frimmel werden de tijden zwaar. Opdrachten tot het schrijven van catalogi bleven uit, terwijl de kunstmarkt geheel instortte. In zijn onverwarmde kantoor bleef Frimmel voortploeteren met het uitgeven van zijn tijdschrift tot dit hem door gebrek aan papier, maar ook door zijn snel verslechterende gezondheid onmogelijk werd. In begin 1924 trok hij zich terug en wijdde zich nog slechts aan het heruitgeven van zijn grote Van Beethovenstudie (1926, twee delen). Hierna werd het stil om hem heen tot hij op eerste Kerstdag, 25 december 1928 te Wenen overleed. Ondanks het feit dat Frimmel tachtig jaar geleden ophield met werken, worden zijn publicaties nog regelmatig in artikelen en catalogusteksten geciteerd. Soms is dit, omdat hij de eerste was die een bepaalde (kleine) meester aan de vergetelheid ontrukt blijkt te hebben (hij had een grote voorliefde voor juist deze categorie) of omdat zijn publicatie aan de wortel ligt van een toeschrijving of mening, die nog steeds geldig is. Maar hoe interessant zijn archief in detail vaak ook is, de kracht ervan ligt toch in het nagenoeg afgeronde beeld dat het geeft over het kunsthistorische handwerk van een eeuw geleden. Het toont ons Frimmel in al zijn vele hoedanigheden: kunsthistoricus en man van de wetenschap; criticus, recensent, journalist en essayist; stimulator van (vooral vrouwelijke) moderne jonge kunstenaars; en tenslotte als raadgever van vele grote en kleine verzamelaars, die hij adviseerde. Tot besluit moet er een waarschuwing vooraf aan verbonden worden. Wie bijvoorbeeld denkt, dat het archief het ‘ruwe’ materiaal bevat voor de ontbrekende delen van het Lexikon der Wiener Gemäldesammlungen heeft niet helemaal ongelijk maar moet wel bedenken dat het ten enen male onmogelijk zal zijn op basis van deze berg losse papiertjes de ontbrekende delen samen te stellen. De schrijver is overleden en met hem is zijn geweldige kennis en connaisseurschap voor eeuwig verloren gegaan, terwijl de tijd die in het archief beschreven wordt over het algemeen honderd jaar en langer geleden is. Dit is natuurlijk een waarschuwing die voor bijna elk archief opgaat: ‘In everyday life it is foolish to assume that the unknown must necessarily be the sensational; and it is perhaps just as unwise when we are dealing with history. The locked drawer may hold sinister evidence; but may equally contain old laundry bills’.[9] [1] Deze inleiding werd eerder in iets andere vorm gepubliceerd : ‘Het Zettelnotizen-Archiv van Theodor von Frimmel (1853-1928) in het archief van het RKD/ The Zettelnotizen-Archiv of Theodor von Frimmel (1853-1928) in the RKD archives (sic)’, RKD-Bulletin 2004/1-2, p. 52-61 [2] Een bijna even grote zending, die niet voor het RKD bedoeld was, kwam later en werd onder bemiddeling van Schneider verkocht aan geïnteresseerden, waaronder Frits Lugt de voornaamste was. Het laatste restant boeken werd door Schneider ten behoeve van Van Nes verkocht via Antiquariaat van Stockum in Den Haag. [3] Jaarverslag van den directeur over het jaar 1937, p. 3 [4] ‘Wenn Sie mir nun die Versicherung geben, daß die Aufzeichnungen des genannten nicht ungenutzt in Kasten oder Fächer verschwinden, wie es leider in Aemtern so häufig der Fall ist so bin ich gerne bereit sie Ihren Institut als Schenkung zu überlassen. Es stecken in diesen Notizen wirklich grundliche und emsige Studien und es wäre Schade um die darin aufgewendeten Energien, wenn sie in einen dunklen Ecke für immer verschwunden würden’, B. van Nes aan H. Schneider, 13 januari 1936. [5] Aan nadere toegangen op in het archief aanwezige publicaties, tentoonstellings-en veilingcatalogi alsmede van officiële afschriften van inventarissen en documenten wordt nog gewerkt. [6] Deze korte biografie van von Frimmel is in eerste instantie gebaseerd op biografische aantekeningen van hemzelf, die in het archief aanwezig zijn, alsmede op de twee necrologieën, die na zijn overlijden op 28 december 1928 in het liberale Weense dagblad Neue freie Presse gepubliceerd werden. [7] Galeriestudien (1891-1893, Kleine Galeriestudien, Neue Folge (1894-1897), Galeriestudien, Dritte Folge (1898-1901), Blätter für Gemäldekunst (1904-1912), Studien und Skizzen zur Gemäldekunde (193-1920), Gemäldekunde (1920-1924) en het Beethoven Jahrbuch. [8] Het merendeel van die enveloppen is uit het archief verwijderd, aangezien de gomranden ernstige verklevingen veroorzaakten. Dit was ook het geval met de gelakte kaftjes der opschrijfboekjes. Alleen wanneer er aantekeningen op het kaft of op de buitenkant van de enveloppe geschreven waren zijn deze bewaard en in zuurvrij papier opgeborgen. [9] N.A. Robb, William of Orange. A personal portrait, London-Melbourne-Toronto 1962, p. 9" |
|
https:/ |
"0230" |
|
https:/ |
<https:/ |
|
https:/ |
<https:/ |
|
https:/ |
<https:/ |
|
https:/ |
<https:/ |
|
https:/ |
"14.4 meter" |
|
https:/ |
"Met uitzondering van het gedeelte betreffende Van Beethoven en de muziek, dat reeds in 1929 door de erfgenamen aan het Beethoven-Archiv in Bonn geschonken werd, is de schriftelijke nalatenschap in het 'Zettelnotizen-Archiv' terug te vinden. De oude orde, die zoals gezegd grotendeels gehandhaafd is, volgt het volgende patroon: 1. Stukken betreffende een geplande autobiografie 2. Originelen van eigen artikelen 3. Losse correspondentie, alfabetisch op naam van de afzender 4. Aantekeningen en werkmappen betreffende schilders en tekenaars, alfabetisch 5. Idem betreffende beeldhouwers 6. Idem betreffende architecten 7. Aantekeningen over kunsthistorici 8. Aantekeningen over stijlgeschiedenis 9. Aantekeningen over handschriften en miniaturen 10. Kunstnijverheidaantekeningen 11. Krantenknipsels over van alles en nog wat, meest met aantekeningen 12. Aantekeningen betreffende iconografie, vooral over de Apocalyps 13. Stukken betreffende (privé)verzamelingen, geordend op locatie en daarbinnen alfabetisch op collectienaam 14. Varia, onder andere losgeraakt, niet te plaatsen materiaal, materiaal betreffende Alt-Wien, de dichter Grillparzer, beschouwingen over dyslexie en overige, niet-kunsthistorische onderwerpen." |
|
https:/ |
"Bijna vierhonderd omslagen met correspondentie, aantekeningen en krantenknipsels over beeldende kunst(enaars), gerangschikt op onderwerp en/of kunstenaarsnaam. Een enkele omslag over componisten en muziekleven. Een enorme verzameling (kunsthistorische) aantekeningen en (kranten)knipsels met betrekking tot: 1. geplande autobiografie 2. eigen publicaties (boeken, artikelen, krantenberichten, recensies etc.) 3. individuele kunstenaars (schilders, tekenaars, beeldhouwers, architecten) 4. collega kunsthistorici (brieven, krantenknipsels, polemieken etc.) 5. kunsttheorie 6. architectuur- en stijlgeschiedenis 7. codices en boekverluchting 8. iconografie (speciaal de Apocalyps en de Dood) 9. afzonderlijke verzamelingen, zowel musea als privécollecties in Europa en speciaal Wenen 10. topografie van 'Alt-Wien', toegesneden op Ludwig van Beethoven en zijn tijd Naast aantekeningen bevinden zich in het archief nog duizenden brieven gericht aan Frimmel, die via een nadere toegang alfabetisch op naam van de afzender vindbaar zijn. Naast deze brieven bevinden zich ook nog enige kunstenaarsbrieven in het archief, die door von Frimmel verzameld zijn. Een tweede 'Nadere toegang' verwijst naar in het archief aanwezige boeken, artikelen, catalogi (van tentoonstellingen en veilingen) alsmede afschriften van oude inventarissen, ambtelijke stukken etc." |
|
https:/ |
"Archief Theodor von Frimmel von Traisenau" |